Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3657

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400109/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 4 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellant gelast vóór 1 maart 2002 de kamer-/beddenverhuur in het pand [locatie] te Den Haag te beëindigen, beëindigd te houden en terug te brengen naar gezinsbewoning onder oplegging van een dwangsom ten bedrage van € 12.500,00 bij de eerstvolgende geconstateerde overtreding.


Uitspraak

200400109/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 november 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. 1. Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellant gelast vóór 1 maart 2002 de kamer-/beddenverhuur in het pand [locatie] te Den Haag te beëindigen, beëindigd te houden en terug te brengen naar gezinsbewoning onder oplegging van een dwangsom ten bedrage van € 12.500,00 bij de eerstvolgende geconstateerde overtreding. Bij besluit van 22 augustus 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 november 2003, verzonden op 2 december 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 1 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en A. Ciftci, gemachtigden, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Krijgsman, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Mede gelet op het verhandelde ter zitting spitst het geschil zich toe op de keuze van het college om een last onder dwangsom op te leggen in plaats van bestuursdwang aan te zeggen en de aan die last verbonden begunstigingstermijn. 2.2. Hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 juli 2002 in zaak no. 200102807/1 (www.raadvanstate.nl en AB 2002, 311), is aan het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid toegekend om in voorkomende gevallen te kiezen voor de ene maatregel boven de andere. Het college heeft in dit geval gekozen voor het instrument van de dwangsom en niet voor het aanzeggen van bestuursdwang, onder meer omdat eerdere bestuursdwangaanzeggingen niet het beoogde effect sorteerden, aangezien het pand telkenmale nadat dit weer in gebruik genomen werd voor andere doeleinden werd gebruikt dan gezinsbewoning. Niet kan worden staande gehouden dat het college hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Dat aan vorige eigenaren van het desbetreffende pand meerdere malen bestuursdwang is aangezegd betekent niet dat het college bij de constatering van de nieuwe overtreding gehouden was daar opnieuw voor te kiezen. 2.3. Het betoog van appellant dat hij de in het pand aanwezige kamerbewoners uit humanitair oogpunt niet zomaar daaruit kon verwijderen, kan niet leiden tot het oordeel dat de gegeven begunstigingstermijn onvoldoende was om de last te kunnen uitvoeren. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant vanaf het moment van de aanzegging een aantal weken de gelegenheid heeft gehad om de overtreding te beëindigen. Appellant was bovendien voordat die weken ingingen al op de hoogte van het voornemen van het college om de last op te leggen, gelet op de aan hem toegezonden ontwerpbeschikking van 18 januari 2002. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Peute Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 391.